Mijn god wat goed! Hoe Johannes Brugman als spreker zijn toehoorders bezielde (2)

Wat een preker is die man! Een historicus, Nico Lettinck, schreef in 1999 een boekje over de Franciscaanse pater/minderbroeder, bedelmonnik en katholiek dichter Johannes Brugman (Praten als Brugman: de wereld van een Nederlandse volksprediker aan het einde van de Middeleeuwen). We schreven in deze blog al eerder over het leven van deze TV-dominee avant-la-lettre, gebaseerd op internet-research, maar de biografie geeft nog wat smeuiïge details. Die kun je omzetten naar hedendaagse tips voor spreken in het openbaar. Dus laten we nog wat aanvullen.

Brugman was al monnik en pater van de orde der Franciscanen, maar stapte daarbinnen over op de substroming van Observanten, Franciscaner bedelmonniken die een strenge armoedegelofte hadden afgelegd. Brugman dichtte over de overstap (vrij vertaald):

Vaarwel, werelds beminnen!
Vaarwel, ’t is al voorbij
Ik ben van nu van zinne
iets nieuws nu aan te gaan
Ik wil het avontuur
Een andere weg inslaan
En zelfs al valt het zuur:
Alleen eeuwig duurt heel lang!

Het voorbeeldig in armoede leven sprak aan bij de gewone arme man en bovendien was Brugman een begaafd spreker. Lettinck haalt een stel sprekende voorbeelden aan.

Neem om te beginnen zijn preek in Kampen, 1455. Vijf uur lang wist hij een menigte te boeien. Het stadsbestuur verstrekte hem tarwe en kruidenwijn.

Legendarisch is voorts zijn optreden in ‘de Amsterdamse kwestie’ in 1462 waardoor hij zijn eigen spreekwoord kreeg. Lettinck heeft originele stukken in de archieven gevonden.

In oktober 1462 bezocht Brugman tijdens een van zijn vele preekreizen in Amsterdam. Over die preektournees trouwens: hij trok van stad tot stad in Nederland, Vlaanderen en het westen van Duitsland, en dat deed hij allemaal lopend, en dat jarenlang. Alleen al in de vijf jaar tussen 1458 en 1463 liep hij tweeduizend kilometer.

In Amsterdam speelde dat jaar een conflict tussen het stadsbestuur en de plaatselijke Franciscaner bedelmonniken, Brugmans geestverwanten. De Amsterdamse bedelmonniken wilden aan het einde van de Oudezijds Achterburgwal, bij de Nieuwmarkt, een nieuw klooster stichten van waaruit zij hun geloofsovertuiging verder konden propageren. Het stadsbestuur vond dat er al genoeg kloosters in Amsterdam waren. De vele kloosters in dit deel van de stad vormden een ‘gebed zonder end’. De zittende kloosterordes en geestelijken moesten niks van de bedelmonniken hebben. Concurrentie, namelijk: giften en subsidies voor de bedelmonniken zouden ten koste van de andere kloosters gaan.

Het bericht dat Brugman in de stad was viel slecht bij de geestelijken en het stadsbestuur. Ze vonden Brugman maar een onruststoker. Tijdens een preek liet Brugman van de kansel blijken dat hij koos vóór het volk, en tègen het stadsbestuur. . Het stadsbestuur stuurde vervolgens twee spionnen naar een preek van Brugman zodat er een uniek eerstehands verslag is van zijn optreden.

Handen omhoog!

Hij maakte, afgaand op hun spionageroman, veel indruk. Volgens de luistervinken hield Brugman een welsprekend en hartstochtelijk verhaal, met als boodschap dat het nieuwe klooster er moest komen. Hij gebruikte retorische stijlfiguren: hij nam zichzelf op de hak, kwam met een reeks van ritmische, sarcastische vragen waarmee hij de Amsterdamse geestelijken voor schut zette: “‘Brugman, wil jij dan corruptie van de kerk en verkoop van geestelijke ambten voor geld? Brugman, wil jij geld voor het aanhoren van de biecht?’ – Nee zeker niet. IK wil gewoon een arme monnik zijn!” Zo ging hij flink te keer.

Na afloop hield hij als climax een crucifix omhoog en vroeg mensen die achter hem stonden om hun hand op te steken. De ene na de andere hand ging omhoog en al gauw hield de hele kerk de handen omhoog. “Ik zou er voor willen sterven”, riepen sommigen. Waar Brugman aan toevoegde: “Voor deze zaak wil ik ook wel mijn oude hals laten”.

Bij een bezoek een maand later verklaarde het stadsbestuur hem tot ‘ongewenst persoon’, maar hier trok hij zich niets van aan. Toen de landsheer vervolgens toestemming gaf voor het klooster, kwam dat volgens zijn trotse volgelingen door het ‘kallen’ van hun Brugman (‘kallen’= oud-Nederlands voor praten, vgl het verwante ‘raaskallen’ en het Engelse ‘to call’). Het ‘praten als Brugman’ was geboren.

In Groningen, waar hij ook beroemd was, ontstond een ander spreekwoord: ‘Brugman zoekt zielen en ik zoek geld’. Dat betekent zoiets als dat je van je armoedegelofte je schulden niet kunt betalen – Brugman is daar in de overlevering bekend geworden als de vrome bekeerder die niet om geld gaf. Wat klopt, want hij was bedelmonnik. Het gaat niet om geld, meneertje! Het gaat om de geest!

Lettinck schrijft verder dat Brugman vaak gebruik maakte van het getal drie, de drie-eenheid: als clubsprekers verbaast ons dat niet, want alle goede dingen komen in drieën en een goede speech heeft drie hoofdonderdelen.

Hij kon bovendien heel beeldend preken, de geseling van Jezus beschreef hij volgens de overlevering uiterst plastisch, in geuren en kleuren.

Kortom: hij deed alles goed, hij maakte geen fouten, hij was een verhalenverteller, hij deed het precies volgens het retorische boekje. Brugman, de Martin Luther King van de vijftiende eeuw! Of beter nog: Martin Luther King, dat was de dominee Brugman van de twintigste eeuw!